skip to Main Content

Reint Jan Renes over gedragswetenschap en de Corona Gedragsunit: “Het moment dat van Dissel onze studieresultaten mee ging nemen in zijn verhaal, was voor ons een klein succes momentje.”

De coronacrisis heeft het leven van menig mens op zijn kop gezet. Zo ook die van gedragswetenschapper Reint Jan Renes. Afgelopen maanden verruilde hij zijn werk als lector ‘Psychologie voor een Duurzame Stad’ aan de HvA tijdelijk voor een positie binnen de Corona Gedragsunit van het RIVM. Wij vroegen hem naar het ontstaan van dit gloednieuwe adviesorgaan en zijn ervaringen tijdens deze onstuimige tijd.

Hoe is de Corona Gedragsunit tot stand gekomen?

“In maart werd ik opgebeld door het kernteam crisiscommunicatie met de vraag of ik vanuit mijn expertise als gedragswetenschapper mee wilde kijken naar de communicatie rondom het coronavirus. Ook werd mij gevraagd of ik nog meer mensen kende die van toevoeging zouden zijn, waarop ik hoogleraar Marijn de Bruin heb aangehaakt.

Vanaf dat moment kwamen wij direct in een stroomversnelling aan besprekingen terecht. We merkten al na dag één dat we niet over de juiste kennis beschikten om op deze manier te vergaderen, maar tegelijkertijd werden de dingen die wij zeiden letterlijk gebruikt tot de persconferentie aan toe. Dit was voor ons erg ongemakkelijk. Het voelt niet goed om op zo’n crisismoment te adviseren op basis van kennis over hoe gedrag in het algemeen werkt, terwijl virologen in een OMT met door data en onderzoeken onderbouwde adviezen kwamen. We waren van plan te stoppen, maar kregen al snel te horen dat onze kennis hard nodig was. Het was gezien de ernst van de crisis en de rol van gedrag daarbij niet wenselijk dat we zouden stoppen.

We gaven aan alleen door te willen als we echt in de crisisstructuur zouden worden opgenomen. Hierbij vonden wij het vooral belangrijk om toegang te krijgen tot alle huidige kennis, te kunnen schakelen met andere experts en ook zelf data te kunnen verzamelen. Helaas was het niet mogelijk om wijzigingen in de structuur van het huidige crisisteam aan te brengen.

Door ons via het RIVM formeel een positie toe te wijzen, konden wij toch een aparte unit vormen en konden de voorwaarden die wij hadden gesteld, zoals het verzamelen van data, worden gerealiseerd. We werden gekoppeld aan Mariken Leurs, die bij het RIVM bezig was om kennis vanuit gedragswetenschap toe te spitsen op de crisis. Met z’n drieën zijn wij op zoek gegaan naar gedragswetenschappelijke hoogleraren die zich wilden aansluiten bij onze adviesraad en hebben we gekeken naar de mogelijkheden voor het opzetten van een dataverzamelingseenheid. Diezelfde week nog hadden wij ons eerste overleg, wat eigenlijk het begin was van de Corona Gedragsunit van het RIVM.”

Hebben jullie met opzet alleen hoogleraren gekozen voor de adviesraad?

“We hebben er inderdaad heel bewust voor gekozen om een wetenschappelijke unit te zijn. We wilden vanuit gedragswetenschappen, met onze kennis, proberen te snappen waarom mensen dingen wel en niet doen. Wat motiveert mensen? Hoe houden mensen alle maatregelen het langst vol? We gingen op zoek naar theorieën, met de intentie om deze met data te kunnen onderbouwen.”

Gingen de adviezen vanuit deze raad rechtstreeks naar het OMT?

Dat is een interessante vraag. Wij gaven namelijk geen advies aan het OMT,  maar analyseerden juist hun adviezen in wat er virustechnisch mogelijk was door de bril van de maatschappij. Ons mantra hierbij was de vraag “hoe dan?”. Het maakt niet uit wat je naar buiten communiceert, als je daaraan niet kunt koppelen hoe mensen het moeten doen, dan frustreer je alleen maar. We zijn de adviezen aan het OMT dus eigenlijk om gaan zetten naar hanteerbare handelingsperspectieven waar de beleidsmakers verder mee konden. We leveren als het ware input voor beleid.

Eind maart is Marijn de Bruin langsgegaan in Den Haag, waar allerlei partijen na het Catshuisgesprek bij elkaar kwamen. Als gedragsunit hadden wij een overzicht gemaakt van alle basismaatregelen en hoe die op verschillende plekken gecommuniceerd waren. Vervolgens hadden wij hier per maatregel, vanuit gedragswetenschappelijk perspectief, benoemd hoe dit het beste had kunnen gebeuren. De inconsistentie tussen die laatste twee kolommen heeft heel veel mensen wakker geschud. Het besef dat de communicatie verre van optimaal verliep daalde in en de kracht van de gedragsunit werd duidelijk.”

Voor het verzamelen van die data hebben jullie ook een aparte eenheid opgezet. Hoe verliep dat?

“Er is inderdaad een eenheid opgezet om data te verzamelen en studies te doen naar hoe het met de mensen gaat, hoe zij tegen de maatregelen aankijken en wat er nodig zou zijn om zich  hieraan te houden. We hebben een onderzoeksvoorstel geschreven waar we bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) één miljoen voor hebben gekregen. Dit zorgde ervoor dat de unit ook echt kon worden opgericht. Vervolgens zijn wij met 25 GGD’en gaan schakelen om daadwerkelijk een panel te hebben en een week later ging de eerste ronde vragenlijsten de deur uit.

Binnen de eenheid hebben wij werkpakketten opgesteld. Deze waren onder andere bedoeld voor het monitoren van social media, het schrijven van rapid reviews, het verzamelen van alle relevante wetenschappelijke literatuur en het in kaart brengen van ontstane netwerken. Alles bij elkaar hadden we binnen twee weken zo’n 50 man aan het werk.”

Vind je dat jullie adviezen voldoende zijn meegenomen?

“Als je kijkt naar alle organisaties die zich de afgelopen jaren hebben verdiept in wat nodig is tijdens een pandemie, zeggen deze stuk voor stuk dat het heel belangrijk is om een expertiseteam op het gebied van gedrag klaar te hebben staan. Aan het begin was dit er niet. Er zaten ook geen gedragswetenschappers in het OMT. Toen werd onze unit opgericht. Naarmate de tijd verstreek, werden onze adviezen steeds meer meegenomen in het OMT en kregen we een steeds grotere rol in de landelijke aanpak om corona onder controle te krijgen. Het moment dat Van Dissel onze studieresultaten mee ging nemen in zijn verhaal binnen de Tweede Kamer, was wel een klein succesmomentje.”

Ben je tegen de grenzen van wat je wist en van jouw vak aangelopen?

“Ja totaal! Ik vind aan de ene kant dat de waarde en de rol van ons vakgebied onderschat worden. Daarentegen vind ik ook dat wij onvoldoende in staat zijn om daadwerkelijk data te verzamelen op zo’n manier dat wij dit kunnen vertalen in een aanpak waarmee we grip krijgen op wat er gebeurt. Het verklaren gaat eigenlijk nog een stuk beter dan het voorspellen en daarmee ook het sturen van gedrag.

Aan de andere kant kijk ik ook naar het bredere plaatje. Heel de wereld is op zoek naar een vaccin tegen het virus. Als je het heel sec bekijkt, moeten wij ook een soort vaccin vinden. Namelijk een vaccin om het menselijk gedrag te veranderen. Wij moeten dit alleen vaak doen op basis van bijna geen data. De complexiteit van wat er van ons gevraagd wordt, wordt totaal onderschat wanneer we soms al binnen een dag uitspraken moeten doen. Dat kan ook niet bij het daadwerkelijke vaccin.

Naast dat we tegen de grenzen van ons vakgebied zijn aangelopen, ben ik ook op heel wat grenzen van wat ik wist gestuit. Eén opvallende ontdekking die we hebben gedaan is de enorme grootte van het intention-behavior gap. Een ruime meerderheid van de 50.000 deelnemers aan onze studie bleek achter het beleid te staan om bij klachten thuis te blijven en je te laten testen. Ook gaf een ruime meerderheid aan zich te laten testen indien ze klachten zouden krijgen. Bij de mensen die daadwerkelijk klachten kregen, gaf 80% van de mensen echter aan toch naar buiten te zijn gegaan en maar 12% bleek zich daadwerkelijk getest te laten hebben. Draagvlak en intenties voorspelden het gedrag dus heel erg slecht. Gelukkig konden we met verschillende variabelen achterhalen waar dit door kwam: mensen vonden het bijvoorbeeld lastig om de ernst van de feitelijke symptomen goed in te schatten en te koppelen aan of dit ook daadwerkelijk corona zou kunnen zijn.”

Wat wordt jouws inziens de grootste uitdaging voor de komende periode?

In staat zijn om naar dit vraagstuk te kijken vanuit een lange termijn perspectief, bijvoorbeeld met de gedachte dat het er in 2023 ook nog is, is naar mijn mening de grootste uitdaging voor de komende tijd. We moeten gaan nadenken wat een dergelijk perspectief betekent voor beleid en hoe het in verhouding komt te staan tot andere grote vraagstukken.”

Back To Top